Dummy

Van Wens naar Werkelijkheid

0

 

In deze rubriek zullen diverse vrouwen je een tijdlang meenemen in hun PE/HELLP ervaring.

De komende tijd zal Emmy je vertellen over de invloed van het HELLP-syndroom op haar leven

[private]

De columns starten in juni 2016 en zijn als tekst op volgorde van meest recente gepubliceerd.

Emmy

Daar zit ik dan, 23 weken zwanger, op de verjaardag van een vriendin. Een vriendin met een grote familie. Een van haar schoonzussen is ook zwanger, een maandje verder dan ik. Ik hoor de schoonzussen vertellen over Ans. Ans van Gerhard, je weet wel? Het zegt me niets. Maar Ans bleek opeens heel ziek. Zat laatst op de poli verloskunde en zag er heel slecht uit, vertelt de zwangere schoonzus die het met eigen ogen heeft gezien. Een week later bleek Ans overleden. Ook haar kindje had het niet gered. Verbijstering alom in de kamer: waarom heeft Ans niet eerder aan de bel getrokken? Ja, dat vraag ik me ook af.

Totdat ik twee weken later me zelf helemaal niet goed voel. Het is vrijdagavond en ik ben op een bruiloft. Mijn voeten en benen zwellen ineens enorm op. Ik besluit te gaan zitten met mijn benen op een stoel. Dat zal vast wel helpen.

Morgen maar wat rustiger aan doen en een ligbad nemen. Ik heb de maandag daarop een afspraak bij de verloskundige. Dan ga je niet in het weekend bellen dat je je niet fijn voelt. Gewoon even rustig aan doen en wachten tot maandag. Geen punt.

Wanneer het maandag is ga ik samen met mijn man Loek naar de verloskundige. Ze kijkt me aan, meet mijn bloeddruk en belt het ziekenhuis. Er wordt gezegd dat ik daar meteen naartoe moet gaan. Ik mag niet eerst naar huis om een koffertje te pakken. Nou, zo beroerd voel ik me nou toch ook weer niet. Eenmaal aangekomen word ik meteen in een rolstoel gezet. Ook wat overdreven in mijn ogen; ik was toch ook van de parkeerplaats naar de poli gewandeld?

Ik word opgenomen, kom op zaal te liggen met de instructie meteen aan de bel te trekken wanneer ik me anders voel.

Oké er is dus iets aan de hand. Wat is me nog steeds niet echt duidelijk. Ja, dat mijn bloeddruk veel te hoog is en dat dit niet goed is voor de zwangerschap.

Ik snap Ans opeens ook veel beter. Die heeft natuurlijk ook gedacht dat het wel even wachten kon, wilde vast ook niet zeuren. Net zoals ik afgelopen weekend.

Maar goed, ik lig nu veilig in het ziekenhuis, kijk mooi uit over de omringende weilanden en ben fijn dichtbij huis. Wie maakt me wat.

’s Nachts word ik wakker. Ik voel me helemaal niet goed. Wat zal ik doen? Ik wil niet meteen op het knopje drukken en een verpleegkundige roepen. Ik besluit maar eens naar de wc te gaan. Misschien dat ik dan op een idee kom. Onderweg zie ik de reflectie van mezelf  in het raam van de zaal. Ik kijk ernaar en schrik. Mijn gezicht is enorm opgezwollen. Wat nu? Dit is een verandering. Zou ik nu moeten bellen? Ik twijfel of een opgezwollen gezicht de verandering is die ik zou moeten melden. Ik aarzel en besluit dat ik maar gewoon bel en vraag of dit is wat ze bedoelen?

Er komt meteen een verpleegkundige die net zo snel weer verdwijnt als ze kwam. Meteen daarna wordt het druk op zaal. Een arts, nog meer verpleegkundigen, er wordt gebeld met een academisch ziekenhuis en een ambulance geregeld. Loek wordt uit zijn slaap gebeld. Hij moet onmiddellijk naar het ziekenhuis komen. Ik lig verbaasd te kijken.

In het academisch ziekenhuis word ik op de i.c. op een afgeschermd gedeelte gelegd. Verduisterd en stil. Aangesloten aan ik weet niet hoeveel apparaten. Ik word er stil van en denk aan Ans. Een paar weken geleden begreep ik haar niet en hoorde aan hoe ze lichtelijk veroordeeld werd. Vast eigenwijs, niet geluisterd naar haar omgeving en nu zit haar man daar als weduwnaar.

Ans, ik snap je nu.

Sorry dat ik het niet voor je opgenomen heb. Ik wist niet dat een zwangerschap zo gevaarlijk kon zijn. Dat wist jij vast ook niet.

 

 

 

Het verhaal van Debby 

column juli 2016

Leuk he, zwanger zijn? zegt ze honend als ik mijn tas op het bed naast haar plaats. Het is mijn derde opname in het ziekenhuis en hoewel ik het medische circus een tikje overdreven vind, ben ik nog steeds dolgraag zwanger. Zij niet, zegt ze. Ze is nog geen 34 weken onderweg en ze heeft weeën. Oh jee, zeg ik oprecht geschrokken. Mijn schrik blijkt misplaatst. Het is toch van de zotte dat ze haar weeënremmers geven? Als dat kind nu aangeeft er uit te willen, wie zijn wij dan om hem tegen te houden? Bovendien, er is nooit iemand dood gegaan van in de couveuse liggen hoor. Ze had de weeën juist opgewekt met iets van wonderolie, op internet gelezen ja, zo genoeg van dat zwanger zijn en geen kant op kunnen, het moet maar afgelopen zijn. Rook jij eigenlijk?

De verpleegkundige redt me door mijn bloeddruk te willen meten. 150/100. Ik moet maar even gaan liggen en rustig aan doen, zegt ze, en doet het gordijn tussen de bedden dicht. Ik hou van haar. Eigenlijk hou ik van ze allemaal. Waar voor mijn gevoel alle invloed op het verloop van mijn zwangerschap me uit handen wordt genomen, geven zij me het gevoel dat alles wat ik zeg of doe er alles toe doet. Dat mijn talent om te luisteren naar mijn lichaam maakt dat ze kunnen ingrijpen waar nodig. En dat ik hier nu lig voor de derde keer omdat ik lichtflitsen zag en mijn bloeddruk wederom te hoog bleek, is heel vervelend voor mij en mijn thuisfront maar het zorgt er wel voor dat we bloeddrukverlagers toe kunnen dienen en zo lang mogelijk de baby in de buik kunnen houden. Daar waar hij hoort. Ze zeggen het zo vaak als ik maar wil, en ik hou me er aan vast. Alle angsten voor een vroeggeboorte en het HELLP-syndroom en pre-eclampsie stop ik weg, omdat zij me gerust kunnen stellen. In goede handen zijn is een groot goed. Ik koester mijn deskundigen.
De buurvrouw biedt me kauwgom aan. Ik bedank vriendelijk. De overbuurvrouw wil wel. Dan ruiken ‘ze’ het niet als je net hebt gerookt, zegt ze. Gezamenlijk gaan ze naar beneden voor een sigaret. Als ze ons zoeken, we zijn even iets eten, zegt ze knipogend. Ik vraag me af wat zulke zwangeren doen met mijn bloeddruk. Voor de zoveelste keer lees ik de informatiefolder over een vroeggeboorte. Over een paar dagen ben ik 32 weken zwanger en dat is een persoonlijke grens: mocht ons kindje na 32 weken geboren worden hoeven we niet uit te wijken naar een academisch ziekenhuis. Dan kan dat hier, in het ziekenhuis op steenworpafstand van ons huis.
Even later zeg ik dat een vroeggeboorte een van mijn grootste angsten is. Dat begrijpt ze wel, de buurvrouw. Maar als het komt, dan komt het. Ze glimlacht er bij. Ik wil van alles zeggen, over longrijping, over de invloed van een vroeggeboorte op het latere leven, over hoe hard een prematuur kindje moet vechten, over hoe ik denk dat de natuur niet voor niets heeft bedacht dat een zwangerschap een week of 40 moet duren, over hoe ze geen idee heeft van wat ze zegt, dat ik zo veel onverschilligheid niet kan begrijpen en dat ze me boos, nee woest maakt met zulke uitspraken over wonderolie en roken en en en, maar ik doe het niet. Ik glimlach terug en knik. Als het komt, dan komt het. Misschien heeft ze wel gelijk.

column juni 2016

Hoe ik me voel, wil de verloskundige weten. Het is een donderdagochtend in maart 2013. Ik vertel van de hoofdpijn die ik heb, de sterretjes die ik zie, en de lichtflitsen die ik gisteravond zag. Ze pakt de bloeddrukmeter. Ook ik weet Google te vinden en dat ik nu een hoge bloeddruk heb is mij duidelijk, nog voor hij gemeten is. Achtentwintig weken en vijf dagen ben ik zwanger van ons tweede kind, wederom een jongetje. Na een eerste zwangerschap die zonder problemen is verlopen en waarbij ik op de uitgerekende datum van een gezond kind ben bevallen, leef ik met het idee dat ik ‘blijkbaar heel goed ben in zwanger zijn’. Want ook deze zwangerschap verloopt tot nu toe volgens het boekje.

[private]Terwijl de band om mijn arm steeds verder opblaast, kijk ik naar de poster aan de muur waarop een foetus staat afgebeeld op ware grootte tijdens verschillende stadia van de zwangerschap. Bij 28 weken is een gemiddeld kindje 950 gram en 35 cm, volgens de poster. Ik vraag me af hoe je een kindje zo klein optilt. Of zou dat niet mogen? Gaan ze dan stuk?

Mijn bloeddruk blijkt 150/95. Een flinke stijging ten opzicht van de bloeddruk van twee weken geleden: 110/60. Ze wil meer weten, stelt veel vragen. Ben ik misselijk, heb ik buikpijn, bloedverlies, baarmoederkrampen, over gegeven, hou ik vocht vast, heb ik pijn tussen mijn schouderbladen, een band onder mijn borsten, waar is mijn oudste zoon nu en wil ik even in een potje plassen? Mijn urine bevat geen eiwitten, dat is goed nieuws, maar ik moet toch even naar de gynaecoloog. Er moet bloed geprikt, een groeiecho worden gemaakt, een CTG, en dan zal de gynaecoloog ‘verder besluiten wat er moet gebeuren’. Verder besluiten? Ik begrijp dat een hoge bloeddruk niet wenselijk is, maar dit medisch circus voelt ietwat overdreven. Als ik richting de gynaecoloog ga, geeft de verloskundige me een hand. ‘Sterkte’, zegt ze meelevend, alsof we op een condoleance staan. Waarmee? wil ik weten, maar uit angst voor het antwoord stel ik de vraag niet. Ignorance is bliss.

De gynaecoloog is luid en duidelijk: met een hoge bloeddruk kan je prima tot 37 weken zwanger zijn zonder dat iemand daar veel last van heeft. Maar er bestaat ook de mogelijkheid dat de baby niet goed genoeg meer groeit, of dat het uitmondt in een pre-eclampsie of HELLP, en dat moeten we monitoren. Heel goed. Hij legt uit dat als dat gebeurt, de baby geboren moet worden. Meteen. En hoewel ik nauwelijks weet wat pre-eclampsie of HELLP is, weet ik wel dat we het koste wat het kost willen vermijden. Ben ik dan nog geen 32 weken zwanger, moet ik naar een academisch ziekenhuis (het AMC of het VU) voor de bevalling. Daarna mag het hier, in ons streekziekenhuis, gaat hij verder.

En met die woorden van een mogelijke premature bevalling raakt hij aan mijn grote angst: een prematuur kindje. Een kindje dat, al getraumatiseerd door eerder dan wenselijk de baarmoeder te moeten verlaten, ook nog zijn eerste tijd op deze wereld door moet brengen in een couveuse, in plaats van het warme leven thuis waar hij gekoesterd en geliefd langzaam mag wennen aan de wereld. Het lijkt me intens verdrietig, en ik slik wat tranen weg. Ik stel een miljoen vragen en ze worden allen geduldig en helder beantwoord. De gynaecoloog doet zijn best mij gerust te stellen met feiten: vrijwel de meeste vrouwen ondervinden er geen gevolgen van, de kans dat het escaleert is niet groot, en we hebben nog van alles in huis om die bloeddruk te doen dalen. Ik knik gemaakt gerustgesteld. Pillen mee naar huis, en dan komt alles goed, zeg ik. De gynaecoloog verstoort ruw mijn bubbel en zegt: ‘Nee. Ga naar huis, bel je man, pak een tas, doe wat je moet doen en meld je daarna hier voor de echo. Aansluiten word je opgenomen’. Ik schrik, want een opname klinkt heftig. ‘We moeten hier bovenop zitten’ verduidelijkt hij. Maar we eten couscous en ik moet de kebabspiesjes nog maken, probeer ik. Hij kijkt me aan en zwijgt, en zegt daarmee heel veel.

Onderweg naar huis bel ik Tom, die alles uit zijn handen laat vallen en meteen naar huis komt. Eenmaal thuis huil ik heel hard. Omdat er iets niet gaat zoals gepland, omdat het voelt alsof mijn lichaam faalt, omdat mijn zwangerschap nu een medisch circus is terwijl ik zo graag vertrouw op mijn lijf, omdat ik misschien toch niet ‘goed ben in zwanger zijn’, omdat we vanavond geen couscous met kebabspiesjes kunnen eten, omdat de oudste zoon nietsvermoedend op school zit en straks van papa moet horen dat mama in het ziekenhuis ligt, maar vooral omdat ik bang ben, intens en allesoverheersend doodsbang nu mijn grootste nachtmerrie tot een van de opties behoort.

De groeiecho is niet zoals gehoopt: het laat een achterstand van twee weken zien. ‘Dat kan ook gewoon betekenen dat dit van nature een klein kindje is’, probeert de echoscopiste sussend. Maar met de echo van vier weken geleden in ons achterhoofd, waarbij dit kindje meer dan twee weken voor liep qua groei, is er geen ruimte voor zalvende woorden. Hij groeit niet goed, dat is een feit, en wederom slik ik wat tranen weg alvorens ik naar boven mag om opgenomen te worden.

De ernst van een ziekenhuis maakt me mistroostig, zelfs de afdeling verloskunde/gynaecologie, de vrolijkste afdeling  van het hele ziekenhuis, straalt een onbehaaglijkheid uit waar ik geen raad mee weet. Wolken van baby’s, stralende ouders, gepassioneerd personeel, en toch voelt het unheimlich, alsof ik hier niet hoor. Omdat het goed gaat, of juist omdat het niet goed gaat. Omdat ik hier lig terwijl het niet mis is, maar wel mis gaat. Omdat ik stiekem vind dat het zo erg allemaal niet is, en nog stiekemer verdomd goed weet hoe dat een leugen is die ik mezelf vertel om de angst te overschreeuwen. De volgende ochtend mag ik naar huis. Een goed CTG, prima bloeduitslagen, geen sterretjes of lichtflitsen meer, en een bloeddruk die ‘schommelt maar binnen redelijke grenzen blijft’. De gynaecoloog glimlacht, geeft me een hand, en zegt knipogend ‘Tot over een week of tien he, bij de bevalling’. En hoewel elke vezel in mijn lijf voelt dat hij het mis heeft, glimlach ik zo hard als ik kan terug.[/private]

Over de auteur

Laat een reactie achter